Met een werkneemster in loondienst die zwanger is krijgt u te maken met een aantal zaken. De werkneemster moet beslissen wanneer zij het zwangerschapsverlof wilt laten ingaan en of zij bijvoorbeeld ouderschapsverlof gaat opnemen. Daarnaast moet zij nadenken over hoe zij omgaat met de arbeidsomstandigheden op het werk: is het werken veilig en gezond voor haar en haar (ongeboren) kind?
Zij heeft recht op minstens zestien weken uitkering in verband met zwangerschap en bevalling. De uitkering in verband met de bevalling is net zo hoog als het Ziektewetdagloon, oftewel honderd procent van het loon. Ontvangt de werkgever de uitkering, dan kan hij tijdens het verlof het uw salaris doorbetalen. Krijgt de werkneemster de uitkering zelf, dan mag de werkgever die op het salaris in mindering brengen.
Wanneer het zwangerschapsverlof precies ingaat, moet in overleg met uw werkgever bepalen. Tussen de vier tot zes weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum stoppen met werken. In ieder geval niet vanaf vier weken voor die datum en tot zes weken na de bevalling.
Een werkneemster heeft altijd recht op minstens tien weken verlof na de bevalling. Is de werkneemster bijvoorbeeld zes weken van tevoren gestopt met werken en is de baby twee weken te laat, dan worden er twee weken opgeteld bij de acht verlofweken die zij nog over heeft.
Is het verlof afgelopen maar lukt het niet om te werken? Als een werkneemster niet kan werken als gevolg van de bevalling of zwangerschap, dan heeft zij maximaal 52 weken aaneengesloten recht op een Ziektewetuitkering. De uitkering is net zo hoog als het Ziektewetdagloon.